Net op tijd
Sint had haast, tjonge jonge!
Snel was hij op zân paard gesprongen.
Maar dat zul je altijd zien:
Er was file op de A-10!
Het stoplicht sprong net op rood.
Sint ergerde zich dood!
Toen stond de brug ook nog open.
Sint is door ât oog van de naald gekropen.
De winkel was open, nog nét.
Gelukkig, hij had het gered!
âPoeh, poeh,â zuchtte Sint, âik ben dâr!â
En hij kocht een decemberkalender.
(of: hij kocht voor jou een kalender/weekkalender/adventskalender etc.)